GEBRUIK VAN DE KAARTJES

Spreek je eigen creativiteit aan of de suggesties hieronder.

Op de pagina 'Improvormen' vind je 150 improvisatievormen waarbij je de kaartjes kunt gebruiken en die geschikt zijn voor iedereen vanaf een jaar of 12. Hieronder meer suggesties, voor alle leeftijden.

ACTEREN I

* Verdeel de spelers in groepjes van drie of vier spelers en geef elk groepje een kaartje. Vertel ze hoeveel van de vier begrippen ze moeten gebruiken in hun stukje. De groepjes bereiden allemaal een toneelstukje voor. Nadat een stukje gespeeld is, raadt het publiek welke WIE, WAT, WAAR en/of HOE ze hebben gezien.

ACTEREN II

* Verdeel de spelers in tweetallen en geef elk duo twee kaartjes. Vertel ze dat ze een scène gaan voorbereiden waar ze in het begin van het stukje zich de HOE voelen van het ene kaartje en aan het einde van het stukje de HOE van het andere kaartje. Ze maken bijvoorbeeld een stukje waarin ze zich allebei eerst verdrietig voelen en aan het einde boos. De spelers moeten ook een reden bedenken waarom de verandering plaatsvindt. De groepjes bereiden allemaal een toneelstukje voor. Nadat elk stukje gespeeld is, raadt het publiek welke van welke HOE naar welke HOE de spelers veranderden. 

UITBEELDEN I

Verdeel de groep in twee teams. Vertel welke categorie jullie gebruiken: WIE, WAT, WAAR of HOE. Eerst is team A aan de beurt. Twee spelers uit team A beelden samen zonder geluid of woorden het begrip uit. Als het begrip geraden is door team A, zijn de volgende twee spelers uit team A aan de beurt. Tel na 3 minuten hoeveel begrippen zijn geraden. Kan team B deze score verbeteren?

UITBEELDEN II

* Kies vier spelers uit. Spelers B, C en D gaan naar de gang en speler A komt voor de groep te staan. Geef speler A een kaartje en vertel dat hij/zij straks twee (of drie of vier, wat jij kiest) begrippen moet uitbeelden voor speler B. Speler A leest de begrippen en onthoudt ze. Speler B komt terug van de gang, kijkt naar dat wat speler A uitbeeldt en doet haar of hem op hetzelfde moment na. Speler B raadt niet hardop, maar onthoudt de begrippen zoals hij of zij ze heeft begrepen. Nu gaat speler A zitten en speler C komt van de gang.  Speler B beeldt de begrippen uit, zonder hulp van speler A. en speler C doet B na. Speler D komt nu van de gang en doet na wat speler C uitbeeldt. Kan speler D de WIE, de WAT, de WAAR én/of de HOE benoemen?

VERBODEN WOORD

* Verdeel de groep in twee teams. Vertel welke categorie jullie gebruiken: WIE, WAT, WAAR of HOE. Elk team krijgt 3 minuten om zoveel mogelijk begrippen te omschrijven voor het eigen team. Speler 1 van team A start en doet zijn of haar handen op de rug. Deze speler gebruikt alleen woorden (dus acteert niet en beeldt ook niet uit). Het woord zelf (of delen van het woord) gebruiken en vertalen is verboden. Als een begrip geraden is, is de volgende speler uit team A aan de beurt, enzovoorts. Tel na 3 minuten hoeveel begrippen er zijn geraden. Nu is het andere team aan de beurt!

GESLOTEN VRAGEN STELLEN

* Eén van de spelers staat voor de groep en leest één van de begrippen van een kaartje voor zichzelf. Dit is WIE, WAT, WAAR of HOE hij/zij is. Met gesloten vragen, die alleen met ja of nee beantwoord mogen worden, proberen de anderen uit te vinden wie, waar, wat of hoe de speler is.

SCHRIJVEN I

* Geef iedereen een kaartje en laat ze een verhaal schrijven waarin alle vier de begrippen voorkomen. Je kunt het verder vrij laten, maar je kunt de schrijvers ook een thema meegeven, zoals 'griezelverhaal', 'toekomstdroom', 'een bijzondere ontmoeting' of 'afscheidsbrief'.

SCHRIJVEN II

* Verdeel de groep in tweetallen en geef elk tweetal een vel papier. De duo's gaan allemaal een dialoog van minstens 12 regels bedenken, dat wil zeggen per persoon minstens 6. Geef ieder duo een kaartje en zeg dat in hun dialoog alle vier de begrippen gebruikt moeten worden. Als de dialogen af zijn, kunnen ze voorgelezen, maar ook met wat voorbereiding gespeeld worden voor de rest van de groep.

VERHALEN VERTELLEN I

* Verdeel de groep in tweetallen. Eén van de twee begint een verhaal te vertellen en zodra hij/zij één van de vier begrippen gebruikt, neemt de ander het verhaal over. Als de tweede verteller een ander begrip van het kaartje gebruikt, gaat de beurt weer over naar verteller 1, tot alle vier de begrippen zijn gebruikt.

VERHALEN VERTELLEN II

* Kies vier spelers uit. Spelers B, C en D gaan naar de gang en speler A komt voor de groep te staan. Geef speler A een kaartje en vertel dat hij/zij straks een verhaal gaat vertellen aan speler B waarin alle vier de begrippen voor moeten komen. Speler A mag dit even voor zichzelf voorbereiden en geeft daarna het kaartje weer aan jou terug. Speler B komt terug van de gang en luistert naar het verhaal van speler A. Nu komt speler C van de gang en speler B vertelt het verhaal door, zonder hulp van speler A. Speler D komt nu van de gang en krijgt het verhaal te horen van speler C. Kan speler D de WIE, de WAT, de WAAR en de HOE in het verhaal ontdekken?

          THE ODD ONE OUT

          * Lees de vier begrippen op één kaartje aan de hele groep voor. Vraag de groep welke van de vier begrippen er niet bijhoort en waarom niet. De begrippen op één kaartje hebben sowieso niet zoveel met elkaar te maken, dus het antwoord is altijd goed. Het gaat hier om de redenering.

          IMPROVISEREN

          Een WIE, WAT, WAAR of HOE is een uitstekend startpunt voor elke improvisatie en elk inspringspel. Zie pagina 'Improvormen' op deze site voor meer dan 150 ideeën.

          KLETSEN/SPREEKVAARDIGHEID

          Je kunt de kaartjes ook gebruiken als startpunt voor een gesprek, waarbij je allerlei vragen kunt bedenken. WIE (Zou je dit willen zijn/worden? Waarom wel? Waarom niet? Hoe zou een dag eruit zien voor deze WIE?) / WAT (Wat zou je doen als dit je overkwam? Is het je wel eens overkomen? Ken je iemand die dit wel eens heeft meegemaakt?) / WAAR (Zou je hier naartoe willen gaan? Ben je hier weleens geweest? Hoe ziet het er hier uit? / HOE (Voel je je wel eens zo? Wat voel je dan? Hoe kan je zien dat iemand zich zo voelt?) en alle andere vragen die je kunt bedenken.

          INSPIRATIE

          Je geeft de leerlingen een opdracht om een scene te maken in groepjes en één groepje komt er maar niet uit. Je geeft een vrije schrijfopdracht en een leerling zit maar voor zich uit te staren door gebrek aan ideeën. Geef de kaartjes dan eens ter inspiratie. Door het bekijken van al die begrippen gaan er vanzelf ideeën ontstaan.