Gebruik van de WIEWATWAARHOE-kaartjes

 

WIEWATWAARHOE-kaartjes kun je op vele manieren gebruiken. Laat je creativiteit de vrije loop. Gebruik ze bij één van de 150 improvisatievormen op de pagina 'improvisatie'. Brainstorm met collega's. Haal ideeën uit het boekje 250 energizers........of lees de suggesties hieronder.

VERBODEN WOORD

Verdeel de groep in twee teams. Vertel welke categorie jullie gebruiken: WIE, WAT, WAAR of HOE. Elk team krijgt 3 minuten om zoveel mogelijk begrippen te omschrijven voor het eigen team. Speler 1 van team A start en doet zijn of haar handen op de rug. Deze speler gebruikt alleen woorden (dus acteert niet en beeldt ook niet uit). Het woord zelf (of delen van het woord) gebruiken en vertalen is verboden. Als een begrip geraden is, is de volgende speler uit team A aan de beurt, enzovoorts. Tel na 3 minuten hoeveel begrippen er zijn geraden. Nu is het andere team aan de beurt!

GESLOTEN VRAGEN STELLEN

Eén van de spelers staat voor de groep en leest één van de begrippen van een kaartje voor zichzelf. Dit is WIE, WAT, WAAR of HOE hij/zij is. Met gesloten vragen, die alleen met ja of nee beantwoord mogen worden, proberen de anderen uit te vinden wie, waar, wat of hoe de speler is.

CREATIEF SCHRIJVEN

Geef iedereen een kaartje en geef de opdracht een verhaal te schrijven waarin alle vier de begrippen voorkomen. Je kunt het verder vrij laten, maar je kunt de schrijvers ook een thema meegeven, zoals bijvoorbeeld 'griezelverhaal', 'toekomstdroom', 'een bijzondere ontmoeting' of 'afscheidsbrief'.

DIALOGEN SCHRIJVEN

Verdeel de groep in tweetallen en geef elk tweetal een vel papier. Geef ieder duo een kaartje en zeg dat in hun dialoog alle vier de begrippen gebruikt moeten worden. De duo's bedenken allemaal een dialoog van minstens 8 regels. Als de dialogen af zijn, kunnen ze voorgelezen, maar ook met wat voorbereiding gespeeld worden voor de rest van de groep.

VERTELLEN I 

Verdeel de groep in tweetallen. Eén van de twee begint een verhaal te vertellen en zodra hij/zij één van de vier begrippen gebruikt, neemt de ander het verhaal over. Als de tweede verteller een ander begrip van het kaartje gebruikt, gaat de beurt weer over naar verteller 1, tot alle vier de begrippen zijn gebruikt.

VERTELLEN II

Kies vier spelers uit. Spelers B, C en D gaan naar de gang en speler A komt voor de groep te staan. Geef speler A een kaartje en vertel dat hij/zij straks een verhaal gaat vertellen aan speler B waarin alle vier de begrippen voor moeten komen. Speler A mag dit even voor zichzelf voorbereiden en geeft daarna het kaartje weer aan jou terug. Speler B komt terug van de gang en luistert naar het verhaal van speler A. Nu komt speler C van de gang en speler B vertelt het verhaal door, zonder hulp van speler A. Speler D komt nu van de gang en krijgt het verhaal te horen van speler C. Kan speler D de WIE, de WAT, de WAAR en de HOE in het verhaal ontdekken?

THE ODD ONE OUT

Lees vier begrippen binnen één categorie (dus van vier verschillende kaartjes) op aan de hele groep. Vraag de groep welke van de vier begrippen er niet bijhoort en waarom niet. Elk antwoord is goed, het gaat hier om de redenering.

KLETSEN/SPREEKVAARDIGHEID

Je kunt de kaartjes ook gebruiken als startpunt voor een gesprek, waarbij je allerlei vragen kunt bedenken. WIE (Zou je dit willen zijn/worden? Waarom wel? Waarom niet? Hoe zou een dag eruit zien voor deze WIE?) / WAT (Wat zou je doen als dit je overkwam? Is het je wel eens overkomen?) / WAAR (Zou je hier naartoe willen gaan? Ben je hier weleens geweest? Hoe ziet het er hier uit?) / HOE (Voel je je wel eens zo? Wat voel je dan? Hoe kan je zien dat iemand zich zo voelt?) en alle andere vragen die je kunt bedenken.

MEER SPREEKVAARDIGHEID / WOORDENSCHAT

Je kunt de kaartjes heel goed inzetten bij het oefenen van de spreekvaardigheid en/of woordenschat. Enkele ideetjes:

* Welk team kan er het meeste rijmwoorden bedenken op het genoemde begrip?

* Wie maakt de leukste zin met alle vier de begrippen van een kaartje?

* Welke WIE (of WAT, WAAR of HOE) van 2 kaartjes spreekt je het meeste aan en waarom?

* Wie weet als eerste de verleden tijd van de WAT (Juniorversies)?

* Het team dat weet wat alle 4 de woorden betekenen op 1 kaartje, mag het kaartje houden.

* Wie kan een synoniem / de meeste synoniemen voor de HOE bedenken?

* Welk team weet als eerste het tegenovergestelde van de HOE?

ASSOCIATIE

Verdeel de groep in kleinere groepjes van een stuk of 5 spelers. Deel aan elk groepje een ander kaartje uit terwijl één speler per groepje zijn of haar ogen dichthoudt; dit is speler A. Geef aan met welke categorie jullie gaan spelen (WIE, WAT, WAAR of HOE). De spelers die mogen kijken, bekijken het woord in die categorie. Dan wordt het kaartje ondersteboven gelegd en mag speler A de ogen open doen. Elke speler zegt 1 woord tegen speler A, namelijk zijn/haar eerste associatie op het gelezen woord. Kan speler A het woord raden? Nu is het de beurt aan speler B.

INSPIRATIE

Je geeft de leerlingen een opdracht om een scene te maken in groepjes en één groepje komt er maar niet uit. Je geeft een vrije schrijfopdracht en een leerling zit maar voor zich uit te staren - geen ideeën. Geef de kaartjes dan eens ter inspiratie. Door het bekijken van al die begrippen ontstaan er vanzelf ideeën.

ACTEREN I

Verdeel de spelers in groepjes van drie of vier en geef elk groepje een kaartje. Vertel ze hoeveel/ welke van de vier begrippen ze moeten gebruiken in een scène. De groepjes bereiden allemaal een toneelstukje voor. Nadat een stukje gespeeld is, raadt het publiek welke WIE, WAT, WAAR en/of HOE ze hebben gezien.

ACTEREN II

Verdeel de spelers in tweetallen en geef elk duo twee kaartjes. Vertel ze dat ze een scène gaan voorbereiden waar ze in het begin van het stukje zich de HOE voelen van het ene kaartje en aan het einde van het stukje de HOE van het andere kaartje. Ze maken bijvoorbeeld een stukje waarin ze zich allebei eerst verdrietig voelen en aan het einde boos. De spelers moeten ook een reden bedenken waarom de verandering plaatsvindt. De groepjes bereiden allemaal een toneelstukje voor. Nadat elk stukje gespeeld is, raadt het publiek welke van welke HOE naar welke HOE de spelers veranderden en waarom. 

IMPROVISEREN

Een WIE, WAT, WAAR of HOE is een uitstekend startpunt voor elke improvisatie en elk inspringspel. Zie pagina 'Improvormen' op deze site voor meer dan 150 ideeën. Een voorbeeldje? Geef twee spelers een locatie van één van de kaartjes en ze starten met hun scène tot je 'freeze' roept. Terwijl ze in een freeze staan, geef je hen een locatie van één van de andere kaartjes. Laat ze in tableau even nadenken over de reden waarom ze op die manier staan in deze volgende locatie en start het spel weer. Spelers spelen door tot de volgende freeze en locatie. Geef het spel lekker veel snelheid!

UITBEELDEN I

Verdeel de groep in twee teams. Vertel welke categorie jullie gebruiken: WIE, WAT, WAAR of HOE. Eerst is team A aan de beurt. Twee spelers uit team A beelden samen zonder geluid of woorden het begrip uit. Als het begrip geraden is door team A, zijn de volgende twee spelers uit team A aan de beurt. Tel na 3 minuten hoeveel begrippen zijn geraden. Kan team B deze score verbeteren?

UITBEELDEN II

Kies vier spelers uit. Spelers B, C en D gaan naar de gang en speler A komt voor de groep te staan. Geef speler A een kaartje en vertel hem/haar dat hij/zij straks twee (of drie of vier, wat jij kiest) begrippen gaat uitbeelden voor speler B. Speler A leest de begrippen en onthoudt ze. Speler B komt terug van de gang, kijkt naar dat wat speler A uitbeeldt en doet haar of hem op hetzelfde moment na. Speler B raadt niet hardop, maar onthoudt de begrippen zoals hij of zij ze heeft begrepen. Nu gaat speler A zitten en speler C komt van de gang.  Speler B beeldt de begrippen uit, zonder hulp van speler A. en speler C doet B na. Speler D komt nu van de gang en doet na wat speler C uitbeeldt. Kan speler D de WIE, de WAT, de WAAR én/of de HOE benoemen? Als je wilt, kun je dit ook gieten in de vorm van een moordonderzoek: wie is de moordenaar, wat is er gebeurd, waar vond de moord plaats en hoe?

TEKENEN I

Verdeel de groep in twee teams. Kies een categorie en laat een speler van team A tekenen wat er op het eerste kaartje staat. Zodra dit geraden is, is speler 2 van team A aan de beurt met het volgende kaartje. Ga zo door tot er drie minuten voorbij zijn en tel de goed geraden kaartjes. Nu is het tijd voor team B.

TEKENEN II

Geef iedereen een kaartje. De opdracht is een tekening te maken waarin alle vier de begrippen van één kaartje in verwerkt worden.